Psalm 139

Voor de koorleider. Van David. Een psalm
vertaling: Huub Oosterhuis

Werkvertaling

I

1 Aanwezige, U hebt mij onderzocht en gekend.
2 U kent mijn zitten en mijn opstaan.
U verstaat mijn gedachte van ver.
3 Mijn trekken en mijn rusten meet U af,
al mijn wegen zijn U vertrouwd.
4 Want er is geen woord op mijn tong
of, Aanwezige, U kent het geheel.
5 Van achteren en van voren sluit U mij in
en U legt op mij uw hand.
6 Te wonderbaar is voor mij het kennen,
te hoog, ik kan er niet bij.

II

7 Waarheen zou ik uw Geest kunnen ontgaan,
waarheen vluchten voor uw aangezicht?
8 Al steeg ik op naar de hemel – daar bent U
of legerde ik mij in het dodenrijk – U bent er.
9 Al nam ik vleugels van de dageraad
en ging ik wonen aan het uiterste der zee,
10 ook daar zou uw hand mij leiden
en zou mij vatten uw rechterhand.
11 En als ik zeggen zou: laat duisternis mij bedekken
en het licht nacht zijn om mij heen -
12 zelfs de duisternis zou niet duister voor U zijn,
maar de nacht zou licht zijn als de dag,
de duisternis als het licht.

III

13 Want U hebt mijn nieren gevormd.
U weefde mij in de buik van mijn moeder.
14 Ik dank U, dat ik vreeswekkend wonderbaar
wonderlijk zijn uw werken! maakt ben:
Mijn ziel weet het heel goed.
15 Mijn gebeente was voor U niet verhuld,
toen ik in het verborgene gemaakt werd,
geweven in het binnenste van de aarde;
16 mijn oerbegin zagen uw ogen
en in uw boek is het alles beschreven:
de dagen die gevormd zouden worden,
terwijl nog geen daarvan bestond.
17 Hoe kostbaar zijn mij uw gedachten, God,
hoe overweldigend hun aantal.
18 Wilde ik ze tellen, talrijker zijn zij dan het zand;
als ik ontwaak, dan ben ik nog bij U.

IV

19 Bracht U toch om, God, de kwaaddoener,
– jullie, bloedmensen, wijk van mij! –
20 die over U spreken met bijbedoeling
en uw naam misbruiken, uw tegenstanders.
21 Zou ik uw haters, Aanwezige, niet haten
en die tegen U opstaan, niet verafschuwen?
22 Met een algehele haat haat ik hen,
tot vijanden zijn zij mij geworden.
23 Onderzoek mij, God, en ken mijn hart
toets mij en ken mijn getob;
24 zie of in mij een weg is, die tot niets leidt
en leid mij op de weg met toekomst.

 

Mijn God, Gij peilt mijn hart en Gij kent mij,
mijn God, Gij weet waar ik ga of sta.
Gij doorziet mijn gedachten van verre,
Gij hebt mijn reizen en rusten bepaald,
en wat ik ook doe, Gij zijt ermee vertrouwd,
ja, en er komt geen woord op mijn lippen,
mijn God, of Gij hebt het al gehoord.
Gij zijt voor mij en Gij zijt achter mij,
Gij hebt uw hand op mij gelegd -
wonder van wijsheid dat mij te boven gaat,
onbereikbaar, ik kan er niet bij.

 

Hoe zou ik ontkomen aan uw geest
en waarheen vluchten, Gij ziet mij overal.
Beklim ik de hemel, Gij zijt in de hemel,
daal ik af in de aarde, daar vind ik U ook.
En vlieg ik mee met het morgenrood
tot aan het uiterste strand van de zee,
ook daar zal uw hand mij helpen,
ook daar houdt uw machtige hand mij vast.
of ik nu uitroep: ‘Duisternis, bedek mij,
laat het nacht worden om mij heen’,
voor U bestaat er geen duisternis,
voor U is de nacht even licht als de dag,
de duisternis even stralend als het licht.

 

Uw schepping ben ik in hart en nieren,
Gij hebt mij geweven in de schoot van mijn moeder.
Ik dank U, Gij hebt mij zo wonderlijk gemaakt,
ontzaglijke wonderen zijn al uw werken.
Door U ben ik gekend, mijn ziel en mijn gebeente,
in mij was niets voor uw ogen verborgen
toen ik werd gevormd in het diepste geheim,
prachtig gevlochten in de schoot van de aarde.
Ik was nog ongeboren. Gij had mij al gezien,
en al mijn levensdagen stonden in uw boek
nog voordat Gij er een van had gemaakt.
Hoe moeilijk zijn uw gedachten voor mij,
God, wat een machtig geheel.
Ga ik ze tellen, ze zijn zo talrijk
als het zand aan de zee, en dan nog –
dan weet ik altijd nog niets van U.

 

Dood de kwaadwillige mens, o God,
weg van mij, mensen met bloed aan uw handen.
Zij spreken over U, maar om tegen U te stoken,
gebruiken uw naam wel, maar om U te verraden.
Zou ik niet haten, God, die U haten,
niet walgen van hen die zich tegen U keren?
Ik haat ze, zo fel als ik haten kan,
mijn eigen vijanden zijn het voortaan.
Peil nu mijn hart o God, en ken mij,
toets mij en weet wat er in mij omgaat.
Ik ben toch niet op een doodlopende weg?
Leid mij voort op de weg van mijn vaderen.

 

Psalm 139, een meditatief gebed

Psalm 139 is een genre apart. Zij past in geen enkele categorie. De dichter is een mens die nadenkt over Gods aanwezigheid in zijn leven en zijn bedoeling met hem. Is het soms een ‘wijsheidspsalm’? In zekere zin, ja. Immers, vaker dan in alle andere Psalmen het geval is, gebruikt hij woorden als ‘gedachte’, kennen of weten, doorzoeken/beproeven en verstaan, en dat door heel de Psalm heen. Hij is duidelijk vertrouwd met de wijsheid van zijn dagen. Maar de psalmist spreekt niet op de manier van een wijsgeer of een wijze die zijn hoorders allereerst wil onderrichten. Hij is in gebed met zijn God. Ook zijn denken is bidden. Misschien brengt hij een nacht door in het heiligdom om zich geestelijk voor te bereiden op een proces dat tegenstanders hem ten onrechte hebben aangedaan. In een doorwaakte nacht onderzoekt hij zijn geweten en gaat hij de confrontatie aan met zijn God. Hij geeft geen wijsgerige beschouwing weg over God maar zijn hart en hoofd zoeken woorden die hij, belijdend of vragenderwijs, tot God uitspreekt. Van begin tot einde bevindt hij zich voor het aangezicht van JHWH, de Aanwezige.
Met meer recht is het een ‘dankpsalm’ te noemen in aansluiting aan psalm 138. Met zoveel woorden dankt hij, in het midden van de psalm, zijn Schepper om zijn wonderlijk oerbegin. Maar vervolgens verwenst hij op een schrik-wekkende manier de mensen die Gods naam misbruiken voor egoistische onrechtvaardige doeleinden. Is het dan een ‘vloekpsalm’ als 137?
Alsof hij schrikt van zijn eigen emotionele uitbarsting eindigt hij met te bidden of God zijn hart en zijn ‘verontrustende’ gedachten wil toetsen. De psalm is een ‘smeekpsalm’ geworden.

Iets over de tijd van ontstaan.
Het is merkwaardig dat David als auteur wordt aangemerkt in het opschrift. Het thema zowel als de taal doen aan veel later tijd denken. En wel aan de tijd dat de wijsheidsliteratuur bloeide en de invloed van het Aramees op het Hebreeuws al sterk was, dus in ieder geval na de ballingschap. De Septuagint laat uit respekt voor de traditie de naam van David staan boven de psalm. Maar in verband met hun meer historische benadering noemen haar vertalers de profeet Zacharia als bron en bovendien voegen zij er nog ‘in de Diaspora’ aan toe. De dichter leefde in een tijd dat het modern was om het verbond met JHWH en zijn Tora los te laten. Intussen werden misdadige praktijken gedekt met zijn naam. De dichter verwijst in vers 20 regelrecht naar het derde gebod: De naam van JHWH niet ‘la-sjaw’, ‘ijdel’ te gebruiken.

De numerieke vormgeving
Ook in deze psalm van verwondering over Gods aanwezigheid bij zijn mens weet de dichter de schoonheid en de hechtheid van zijn gedicht extra uit te laten komen door gebruik te maken van meerdere verwijzende of symbolische getallen. Zo bepaalt de getalswaarde van de naam JHWH het geheel met behulp van tweemaal 26 versregels. De twee middelste regels, die dus het hart van de psalm vormen, zijn 13b en 14a. Zij tellen 8 woorden en deze luiden:
“U weefde mij in de schoot van mijn moeder. Ik dank u dat ik zo vreselijk wonderbaar gemaakt ben”.
Vanuit deze kern laat de dichter zijn gedachten voor Gods aangezicht gaan over diens aanwezigheid in heel zijn leven. Niets valt buiten Hem. Zelfs in het dodenrijk zou hij nog bij Hem zijn. Vervolgens geeft hij ruim baan aan zijn ontsteltenis: hoe onbestaanbaar eigenlijk zijn het kwaad en de kwaad- doeners in Gods goede schepping! Ook volgens de numerieke compositie maakt deze ‘emotionele uitbarsting’ wezenlijk deel uit van het gedicht en is deze geen latere invoeging van vreemde hand. Immers, voor èn na de 8 woorden van het serene midden (8 is het getal van de vervulling), staan er 84, dat is 7x12, dat is 7 maal het getal van het volk van God. De dichter weet zich ten diepste tot dat volk te behoren, met zijn zeer omstreden roeping. Om tenslotte een en ander af te ronden: het totale aantal woorden van de psalm is 176 of 8x 22, het getal van het alfabet.
Niet alleen de inhoud van psalm 139 maakt ons stil voor God maar haar architectonische compositie kan dit nog versterken.

Van strofe tot strofe

 In de eerste strofe (vers 1-6) spreekt de dichter God aan op zijn grondig kennen van de mens in al zijn doen en laten, ja ook van zijn daaronder of daarachter liggende ‘gedachte’, dwz zijn gevoelens en bedoelingen. Aanvankelijk lijkt de psalmist in dit gewetensonderzoek Gods aanwezigheid en kennis niet alleen positief maar ook als een beklemming te ervaren, getuige de negatieve woorden als ‘insluiten’ en ‘kaf= de ‘(grijp)hand’. Maar al biddend verandert dit en vertrouwt hij zich geheel toe aan het "alziend oog" van JHWH. Hij weet zich een open boek voor ‘de Aanwezige’ en voelt zich ‘gekend’ en veilig bij hem. In overeenstemming daarmee spreekt hij hem steeds aan met de vertrouwde verbondsnaam. Gods kennen gaat zijn verstand ver te boven. Niet minder dan vier keer komt in deze strofe het woord kennen voor.

De tweede strofe (vers 7-12) breidt het gegeven van het kennen van JHWH uit tot zijn nabij zijn, overal waarheen de dichter zich maar zal begeven. Met geen mogelijkheid is aan Hem te ontkomen, ook al zou hij dat willen. Het verhaal van de profeet Jona is een concreet voorbeeld van iemands mislukte poging om voor de Aanwezige te vluchten. Gelukkig, zo heeft hij ervaren, is zelfs geen duister zo diep of de Aanwezige verliest hem niet uit het oog. Het woord voor hand, hier gebruikt, is niet ‘kaf’ maar ‘jad’= de ontvangende of gevende hand. En de rechterhand is ‘jamin’= de meest krachtige, die staat voor leiding en bescherming. Gods aanwezigheid is alleen nog maar bevrijdend. Elk spoor van benauwenis ontbreekt.

In de derde strofe (vers 13-18) vraagt de dichter zich af waar toch het begin en het geheim hiervan te vinden is. Hij vindt die in het wonder van zijn ontstaan in het verborgene van de moederschoot. Daar heeft ‘God’ zoals hij de Schepper voor het eerst in vers 17 noemt, hem geweven. De Statenvertaling spreekt hier van ‘borduursel’. Vanaf, ja, van voor zijn oerbegin is God de mens nabij. Een mens leeft al in Gods (eeuwige) gedachte.…
In vers 13 en 14, precies in het midden, klopt het hart van de Psalm.
Het eerste woord van vers 18 stelt ons voor een vertaalprobleem. Het Hebreeuws kan op twee manieren worden gelezen: als afgeleid van een woord dat ‘gereed komen’ betekent of van een stam die "ontwaken" betekent. Joodse vertalers hebben meer voorkeur voor het laatste. De dichter is als het ware verzonken in zijn gedachten of inderdaad ingeslapen, om daaruit als uit een heerlijke droom te ontwaken. En dan zalig te verzuchten: “en nog ben ik bij U”.

In de laatste strofe (vers 19-24) wordt de dichter, amper ontwaakt uit zijn droom, opnieuw geconfronteerd met de harde realiteit van het kwaad in Gods goede schepping en in zijn eigen leven. Ging Gods vaderlijke goedheid en nabijheid zijn begrip ver te boven, maar omhelsde hij die met hart en ziel, - van het bestaan en voortwoekeren van alle kwaad en de kwaden begrijpt hij nog minder, en doet een beroep op “Eel”, op Gods ‘godheid’ om ze allebei uit de wereld te bannen. Uit solidariteit met JHWH (let op het wisselende naamsgebruik!) verwenst hij ze. Met alle haat die in hem is tegen de godslasteraars, wil hij zich voortaan geheel in dienst van zijn God stellen…. Hij wordt zich echter bewust in zijn afschuw misschien te ver in liefde en eerbied voor zijn Naam te zijn doorgeschoten. Misschien is hij zo toch een doodlopende weg opgegaan in plaats van een ‘eeuwige’ weg, een weg met toekomst. Hij rondt dan ook zijn gebed en daarmee zijn gedicht af door in vers 23 met bijna dezelfde woorden als in het begin te bidden om Gods onderzoekende en kennende nabijheid.
“Kennen” is het sleutelwoord in de psalm. Het komt 7x voor, op één keer na steeds van JHWH of God. Alleen in vers 14c, de vijfde keer, wordt het van de mens gezegd, namelijk van zijn ziel, zijn diepste innerlijk. Gods kennen komt tot volheid in het kennen van ons mensen. Ons kennen van God is een ervaring van hart en ziel. Het is in bijbelse zin niet zozeer een rationeel maar een relationeel gebeuren, een kennen in verbondenheid en van binnen uit. Zoals man en vrouw elkaar (be)kennen. Zulk wederzijds kennen is een liefdesgebeuren. In die liefde gaan denken en geloven samen.
In vers 23a is een weg “tot niets” een weergave van “otseb”, eigenlijk een weg van een afgod òf van verdriet. Andere vertalingen zijn: een smartelijke, heilloze, verderfelijke, doodlopende of afgodische weg.
Het laatste woord van de psalm, `olam, betekent: ononderbroken lange duur, oertijd, toekomst en in die zin eeuwigheid. Vandaar onze vertaling “weg met toekomst”.

Religieuze betekenis en liturgische plaats van Psalm 139

Verwondering is volgens de oude Grieken de bron van het denken of filosofie. In ieder geval is het ook de bron van het geloof, tenminste als we de ‘denkbeweging’ meemaken van de dichter van Psalm 139. Dankbare verwondering over zijn leven en het ontstaan ervan staat centraal in de Psalm: zijn oerbegin in de moederschoot, en vervolgens heel zijn reizen, rusten en ontwaken
in Gods nabijheid.
Gewild en gekend zijn door een dragende, leidende Liefde is de grondgedachte of liever het grondgevoel van de dichter. Menselijk leven, zo verstaan wij uit de psalm, is open leven voor Gods Aangezicht. Niets is voor Hem verborgen. Dit is voor de dichter niet benauwend maar bevrijdend. Wij zijn ‘gezien’ en worden ‘gekend’, door Hem die ons draagt in het hart. JHWH is de altijd en overal in liefde Nabije. Niet dat wij ons dit steeds bewust zijn of als het er op aan komt altijd beseffen. Maar we kunnen altijd weer op deze vaste bodem terugvallen. Daarom ontbreekt het ons, zo moge het zijn, nooit geheel aan tekenen van deze Liefde.
Psalm 139 is dan ook een prachtige en praktische tekst voor een persoonlijke retraite.
Maar hoe is het te verstaan, dat de dichter al diegenen door God wil laten ombrengen die, onder aanroeping van zijn naam, zijn mensenliefde durven weerstaan? De dichter is een mens wiens gevoelens op een onbewaakt(?) ogenblik, als in een slingerbeweging van het ene uiterste in het andere kunnen omslaan. Zoals van dankbare verwondering over de nabije goddelijke Liefde naar een niets en niemand ontziende woede. Zeker, die vijanden verzetten zich niet zozeer met woorden tegen JHWH: er kleeft bloed aan hun handen! Daarom haat hij hen met alle felheid die blijkbaar ook in hem is… en vergeet daarbij verschil te maken tussen het kwaad en de kwade mensen. Een mens kan het soms niet langer verdragen. Gods liefdevolle Aanwezigheid mag onpeilbaar zijn, zijn geduld met het kwaad is nog onbegrijpelijker voor mensen die, soms massaal, het slachtoffer zijn van geweld. Hoe moeten we hier spreken: van Gods onbegrijpelijk geduld met het kwaad en de kwaden? Of van een even onbegrijpelijk goddelijk lijden aan en in zijn schepsel? Hoe dan ook, het ontbreekt ons inderdaad aan zulk geduld of aan zulk vermogen tot lijden en mede-lijden met anderen. Het geeft te denken dat de psalmist beseft misschien over de grens te zijn gegaan in zijn verlangen naar gerechtigheid op aarde zoals de Eeuwig Nabije in zijn Tora als opdracht en als verwachting heeft geopenbaard.
Er zijn momenten in het leven, ook van diep gelovigen, dat wat wij zien of meemaken, teveel is en wij ons overgeven aan de verleiding van een grenzeloze maar vaak machteloze woede en haat. Even vergeten wij ook een mens te zijn wie niets menselijks vreemd is. En dat wij geroepen zijn staande te blijven als getuigen van de liefdevolle Aanwezige. Zoals wordt verteld van Moeder Theresia. Toen zij voor het eerst in Calcutta aankwam, riep zij ontzet uit: Dat is te veel om iets aan te kunnen doen! Het antwoord van God dat in haar gebed te binnen kwam was: Je hoeft alleen maar te zorgen om wie je je armen kunt slaan. En we weten dat haar armen in de loop van haar leven heel wijd geworden zijn.
(Letter en Geest, Trouw 10 April 2004)
Psalm 139 is ook een critische vraag aan alle gelovigen, en niet alleen aan fanaten van welk religieus of ideologisch geloof ook, namelijk deze: zijn we met afkeer alleen tegen misdadige mensen, al of niet godsdienstig, wel op de goede weg? Of leidt ook die weg tot de chaos van het “niets”? De veertig-dagen-tijd samen met Pasen bieden ons een bijzondere gelegenheid tot bezinning op de weg-met-toekomst die Jezus Messias ons voorgaat. Jezus leert ons niet voor niets te bidden: Uw Koninkrijk kome, en: Verlos ons van de Boze. De verhoring van deze beden begint bij de bidder zelf.
In de joodse traditie neemt vanwege de alom werkzame Geest van God, Psalm 139 een belangrijke plaats in op de eerste sabbat van het nieuwe jaar, wanneer de Toralezing opnieuw begint met de scheppingshymne van Genesis 1.

De katholieke oecumenische traditie sluit hier als het ware bij aan door psalm 139 te kiezen als de intochtspsalm van Pasen. Dit is immers het christelijke feest van het begin van de nieuwe schepping in de opstanding van Jezus Messias. Als responsiepsalm keert zij terug in de tijd van Epifanie en nog eens in de zomertijd.

 Aanwijzingen voor persoonlijke of gemeenschappelijke verwerking

 1 Welke passage spreekt u het meest aan? Met welke hebt u moeite?

2 Waar ligt voor u het verband tussen psalm 139 en het christelijk Pasen?

3 Overweeg de betekenis van de psalm voor het contact tussen mensen van verschillende godsdienst.