Hoe God de bijnaam Almachtige kreeg

Een vertelling

 Proloog

Het verhaal dat ik u ga vertellen is mij ingegeven door de nood van deze tijd, nu van velen het geloof in Gods Almacht wankelt en hun als het ware ontvalt. Zelf vind ik troost bij de gedachte, dat we misschien toch gelukkiger kunnen zijn met de scherven van die naam dan eerder toen deze nog ongebroken tot ons bezit hoorde en wij er zo goed mee overweg konden…

Vertelling

Nu, het was in de tijd dat Alexander de Grote van Macedonië heerste over heel de mediterrane en voor-aziatische wereld. En ieder die maar een beetje meetelde, ging ook zoveel mogelijk Grieks praten en denken en doen. Ool veel Joden, want velen van hen woonden toen al, als gevolg van de Babylonische ballingschap, niet meer in het land Israël, maar verstrooid over alle landen van het Griekse wereldrijk. Daardoor kregen velen van hen maar ook van niet-joden, behoefte aan het lezen of horen van de bijbel in de Griekse taal. Toen koning Ptolomaeus, de opvolger van koning Alexander in Egypte, dit bemerkte, nodigde hij 70 joodse wijzen, overeenkomstig het aantal volken in de wereld, uit om naar zijn beroemde Hooge School in Alexandrië te komen en daar op zijn kosten de bijbel van het Hebreeuws te vertalen in het Grieks. Dan zou iedereen die dat wilde, door middel van de Griekse bijbel, de Septuaginta(=70) zoals deze later in het Latijn werd genoemd, kennis kunnen nemen van de Boodschap van de God van Israël. Zo vatten de zeventig wijzen het grote werk aan van de eerste bijbelvertaling. Ieder kreeg 1/70 deel toegewezen. En onder de zegen van de Eeuwige, geprezen zij zijn naam, vlotte het werk wonderwel. Allen stootten zij echter op één en dezelfde moeilijkheid: hoe toch de twee zo geheel eigen namen van God te vertalen: “Jahweh Seba’ot” en “El Sjadaj”? – El, het algemen woord voor God, is: Theos. En Jahweh, de bijzondere naam van Israëls God die uit eerbied nooit wordt uitgesproken maar vervangen door Adonaj, wat Heer betekent, vertaalde iedereen met: Kurios, het Giekse woord voor heer. Maar die twee bijzondere bijnamen: Seba’ot en Sjadaj? Wat willen die van God zeggen? En hoe dat dan in het Grieks weer te geven? Seba’ot kan zoveel beteken: het zijn “menigten” van sterren, van engelen, demonen, schepselen, van krijgers… En dan die vreemde, onvertaalbare naam Sjadaj…Wat wil die eigenlijk van God zeggen? Iets van sterk zijn of machtig of verheven?

Welnu, laten zij nu allemaal dezelfde oplossing gevonden hebben! Het werd: Panto-krator, de Boven-alles-krachtige of de Al-beheerser. Er waren natuurlijk op die manier wel enige nuances verloren gegaan, maar aan de andere kant: een sterke demonstratie van eenheid van God tegenover de veelheid van Griekse goden, kan geen kwaad! Bovendien is het woord als zodanig voor enkele goden niet geheel onbekend: Hermes en Isis worden ook weleens zo betiteld.

Zo stemden alle zeventig overeen, op één na: “Rabbi Simeon”. Hij had als enige iets heel anders voor “Sjadaj”. Wat dan toch, vroegen zij in koor? En jij kan nog wel zo goed luisteren naar de Stem zoals jouw naam zegt!? Toen vertelde Rabbi Simeon zijn verhaal.

Ik begon aan mijn opdracht: het boek Ruth, Ezechiël 1-10 en enkele gedeelten uit Job. Elk woord nam ik voorzichtig in handen het aftastend naar zijn betekenis om het dan weer terug te leggen op zijn plaats en over te zetten in de Griekse taal. Totdat ik, voor het eerst, kwam bij de Naam, die wonderlijke: El Sjadaj. Vol eerbied schreef ik: “Theos” voor “El”…Toen nam ik het woord “Sjadaj” ter hand en ik werd diep ontroerd dat ik de Naam van de Heilige, gezegend zij Hij, zo mocht aftasten op zijn betekenis…zodat juist daardoor het hele woord mij uit de handen viel op de grond, in stukken. Beschaamd en vol tedere zorg raapte ik de beide stukken op. Daar zat ik met de stukken, in elke hand één: in de ene Sja en in de andere daj. Ik keek van links naar rechts en van rechts naar links en nog eens en nog eens…En ineens zag ik het als door een hemelse ingeving wat die geheimvolle naam, zo kwetsbaar en gebroken, betekent: Sja=Die…daj=genoeg…En gehoorzaam en ontroerd schreef ik met betraande ogen: Hikanos, “Die Genoeg is”. Maar soms schreef ik toch ook gewoon: Theos of Kurios, om te laten horen, dat God, de HEER het is die Genoeg is voor ons en onze kinderen. Zijn onze aartsvaders en andere aangevochten gelovigen zoals Naomi en Job ons daarin niet ten voorbeeld?

Natuurlijk wilden de anderen hùn vertaling niet laten vallen voor die van Simeon, want zij vonden die vanzelf veel mooier. Maar toch keurden zij de zijne niet af.

En zo komt het dat er voor die twee grootse en wonderlijke namen van God: Jahweh Seba’ot en El Sjadaj wel 160x Pantokrator in de griekse bijbel staat maar toch ook soms Hikanos, zij het maar 16x…

Epiloog 1

Maar toch was het genoeg voor joodse geleerden zoals Aquila, Symmachus en Theodotion in de tweede eeuw na Christus om alle keren dat Sjadaj voorkomt in de hebreeuwse bijbel, dit te vertalen met Hikanos: Die-Genoeg-is. Zij werden daartoe geïnspireerd door een midrasj bij Genesis 17:1, waar El Sjadaj het verbond sluit met Abraham. Deze luidt:

Vroeg Abraham: “Als de besnijdenis zoiets kostbaars is, waarom het dan niet aan Adam gegeven?” Zei de Heilige, gezegend zij Hij, tot hem: Laat het genoeg zijn voor je, dat Ik en jij er nu in de wereld zijn. Als jij de besnijdenis niet wilt, dan is het voor mij genoeg dat de wereld heeft bestaan tot nu toe; het is genoeg, dat er tot nu toe geen besnijdenis bestaan heeft en het is genoeg voor de besnijdenis er niet aan toe te zijn gekomen. Zei hij: “Voor ik mijzelf besneed, kwamen er mensen en sloten zich bij mij aan. Zullen ze nog wel willen komen en zich bij mij aansluiten, wanneer ik besneden ben?” “Abraham”, zei God tot hem, ”laat het genoeg voor je zijn dat ik je God ben; laat het genoeg voor je zijn, dat Ik je Meester ben en niet alleen voor jou alleen, want het is genoeg voor mijn wereld dat Ik haar God en haar Meester ben”.

Zo is Sjadaj naast JHWH bij uitstek de godsnaam van het verbond, overeenkomstig wat Mozes zegt in Exodus 6:2, “Ik ben JHWH. Ik ben aan Abraham, Isaäk en Jacob verschenen als El Sjadaj, maar met mijn naam JHWH ben Ik hun niet bekend geweest”.

De oudjoodse traditie gaat geheel in deze lijn voort, mede in verband met het feit dat de Septuagint in de eerste eeuw na Christus de bijbel van de christenen werd met zijn overheersend gebruik van de bijnaam Pantokrator. Hun anti-hellenisme bracht de Joden ertoe zich zoveel mogelijk terug te trekken op het hebreeuws-eigene, juist ook in hun bijbelvertaling.

In onze tijd vertaalt Buber Sjadaj met “Gewaltige”, en Reisel met “Almachtige-Liefderijke”, dit laatste in verband met de grondbetekenis van het Babylonische woord ‘sjadu’: berg en moederborst.

Epiloog 2

En de christelijke kerk, wat heeft die van deze dingen verstaan? Toen de Romeinse christenen behoefte kregen aan een bijbel en een samenvatting van hun geloof in het Latijn, hebben zij in de lijn van de Septuagint Gods almacht als hoofdeigenschap voorop gesteld: Theos Pantokrator werd Deus Omnipotens. En dat terwijl Pantokrator slechts 10x voorkomt in het Nieuwe testament: 1x bij Paulus als hij uit het Oude Testament citeert (in 2 Corinthe 6:18) en alle andere keren in de Openbaring van Johannes, het boek met op de achter- en voorgrond het conflict met de Romeinse staatsmacht. Men raakt geheel gefixeerd op de machtsvraag. Aan wie komt de macht toe: aan de keizer of aan Kurios Jesus? Er waren nog twee goddelijke gestalten Omnipotens: Jupiter de romeinse hoofdgod en Fortuna, de godin van het Lot. Dit spraakgebruik eenmaal binnengehaald in het christelijk geloof, is de kerk funest geworden, met name toen zij staatskerk is geworden. Machtsstreven naar buiten en naar binnen hebben kerk en geloof gecorrumpeerd. En Almacht is verworden tot Albeschikker, een soort Supermacht met alle geweld vandien, terwijl in de bijbel Sjadaj, de “Almachtige”, de oorspronkelijke naam is van de Onvergelijkelijke, de “Genoegzame” die een verbond van Liefde sluit met een zwervende herdersfamilie, die uitgroeit tot een volkje temidden van de wereldmachten.

Misschien dat de scherven van de Naam ons toch nog geluk brengen, wanneer we ons oor te luisteren leggen bij de Joden, hun bijbel en hun traditie.

Apeldoorn. Ten tijde van de eerste Golfoorlog 1991

M. J. v. d. Ende

Gepubliceerd in "In de Waagschaal" van april 1991