David en de Psalmen

Koning David behoort met Abraham en Mozes tot de 3 breeduit verhaalde geloofsgestalten van het Eerste Testament. Abraham geeft gehoor aan de Stem van de Roepende, gaat op weg en wordt de pionier van het bijbels geloof (Genesis 12-25). Mozes geeft gehoor aan de Stem uit de brandende doornstruik en wordt de bevrijder en wetgever van de 12 stammen van Israël. (de boeken Exodus tot en met Deuteronomium). David, zoon van Isaï, wordt zoals Psalm 78 vers 70-72 zegt: van achter de schapen geroepen tot het koningschap om herder te zijn over het volk Israël.
Met deze herder en dichter koning David wiens naam een messiaanse belofte is geworden voor de toekomst van zijn volk en van de wereld van de volken, wordt het hele boek van 150 Psalmen in verband gebracht. Het thema van de herder die zijn volk voorgaat en leidt, verzorgt en beschermt, komt dan ook veelvuldig voor in de Psalmen zowel van God als van de koning. Eigenlijk is de koning als zodanig een herderlijke figuur. Zo is de herderspsalm 23 als op zijn huid geschreven. Hoewel nog niet de helft van de Psalmen op zijn naam staat, spreekt men toch van het Psalter van David. Dit wijst erop dat David als initiator en grote inspirator geldt van het religieuze gedicht in oud-Israël. Dit komt ook tot uiting in zijn levensverhaal.
Jong al was David bekend om zijn bijzonder harpspel. Als jongeman, de jongste van 8 broers, weidde hij de schapen van zijn vader, toen hij vanwege zijn bekwaamheid in het musiceren aan het hof werd geroepen om koning Saul over zijn sombere gemoedsstemmingen heen te helpen. Later zou hij diens opvolger worden. Hij leefde rond het jaar 1000 voor Christus. In de boeken 1 Samuël vanaf hoofdstuk 16 en 2 Samuël wordt zijn levensverhaal verteld. Deze zijn vóór de Babylonische ballingschap teboekgesteld. Later, na de ballingschap, in de vijfde eeuw voor Christus, is heel Israëls geschiedenis in verband met de wederopbouw van het land en het herstel van de tempel opnieuw verteld in de boeken 1 en 2 Kronieken. Met name vanaf hoofdstuk 26 beschrijft 1 Kronieken Davids betekenis voor de tempelliturgie.
In totaal zijn er 73 Psalmen die aan David worden toegeschreven. Andere dichtersnamen zijn Asaf (12), tijdgenoot van David en koorleider, Korach (11), stamvader van een gilde tempelmusici, Salomo(2) en Mozes, Etan, leider van een levitisch koor van David, en Heman, een wijze uit Salomo’s tijd, alle drie elk 1. Daarnaast zijn er 34 anonieme Psalmen, die ook wel ‘wezen’ worden genoemd. David heeft dus verreweg het grootste aantal op zijn naam staan. Nu verbond geen kunstenaar in oude tijd zelf zijn eigen naam aan een kunstwerk: als een goed ambachtsman stelde hij zijn kunst anoniem ten dienste van God en van zijn volk. “Van David” behoeft niet altijd ‘door’ David te betekenen. Het kan ook staan voor ‘uit davidische kring’ of ‘in zijn geest’ of ook ‘opgedragen aan’. Wat zeker niet uitsluit dat David of wie dan ook van de genoemden, persoonlijk de dichter kan zijn van de aan hem toegekende Psalm(en).

Het leven van David en de Psalmen

Van de aan David toegeschreven Psalmen zijn er 14 (de getalswaarde van de naam David!) al vroeg in de overlevering in verband gebracht met allerlei ervaringen en situaties uit zijn leven. Dat hangt natuurlijk samen met de betekenis van zijn leven voor het volk. Enkele voorbeelden: Psalm 18, als hij verlost is uit de hand van koning Saul; Psalm 51 na zijn overspel met Batseba; Psalm 3, als hij op de vlucht is voor zijn zoon Absalom enz. Hoogtepunt in zijn leven als koning en zanger is geweest het terugbrengen van de ark in het heiligdom te Jeruzalem. Musicerend (2 Samuël 6:5) en in vervoering dansend (vers 16) begeleidt hij samen met de zijnen de intocht van de ark, symbool van de aanwezigheid van JHWH Tseba’ot temidden van zijn volk. De koning is daarbij ook liturg en zegent als een priester het volk. In de uitleg wordt Psalm 24 wel met deze gebeurtenis in verband gebracht. De andere Psalmen die met Davids leven in verband worden gebracht zijn 3, 30, 34, 52, 54, 56, 57, 60, 63 en 142. Deze historische gegevens worden dan samen met aanwijzingen voor koorleider en zangers door de overleveraars in het opschrift boven een Psalm vermeld. Zij behoren niet tot het oorspronkelijk gedicht. Zo’n opschrift is, met de tenaamstelling, te beschouwen als de oudste interpretatie en alszodanig waardevol.
Misschien hebben sommige van deze Psalmen eerder deel uitgemaakt van het levensverhaal van Koning David. Zoals dat met Psalm 18 nog het geval is, in 2 Samuël 22. In oude vertellingen zijn proza en poëzie niet strikt gescheiden. Zij wisselen elkaar op natuurlijke wijze af.
In de loop van de tijd zijn steeds meer Psalmen aan David toegekend. Dat is duidelijk te zien aan de opschriften in de Septuaginta. Deze oude Griekse vertaling uit de derde eeuw voor Christus schrijft 14 Psalmen meer aan David toe dan de Hebreeuwse tekst doet. Dit is vooral gebeurd met een aantal anonieme Psalmen (33, 43, 71, 91-99, 104 en 137). Zelfs 137, die toch duidelijk de ballingschap tot achtergrond heeft, wordt in de Septuaginta aan David toegeschreven. Misschien omdat alleen met het gezag van die naam deze vloekpsalm te plaatsen was? Andere Psalmen worden hem daarentegen weer ontzegd zoals Psalm 122.
Dat men de Psalmen vooral in verband met David bracht, komt omdat hij inmiddels een messiaanse identificatiefiguur is geworden. Het onderstreept zijn betekenis voor het leven van de gelovigen in later eeuwen. Ieder kon en kan zo eigen nood of vreugde herkennen in die van “David” en daarin een bemoediging ervaren. Dat is mede te danken aan het feit dat, hoe ook in een bepaalde situatie verkerend, een ware dichter zijn gevoelens en ervaringen voor mensen van alle tijden onder woorden weet te brengen. Dat de Messias uit de ‘wortel van Isaï’ zal stammen (Jesaja 1:1) en een ‘zoon van David’ zal heten, wijst op zijn messiaanse betekenis. In de evangeliën wordt Jezus Messias dan ook zoon van David genoemd (Mattheüs 1:1 en andere plaatsen) en heel diens leven wordt vooral verteld aan de hand van de Psalmen.

De Psalmen als liederen

Naar de vorm zijn de Psalmen poëzie, naar de inhoud gebeden of religieuze liederen. Zij werden met begeleiding van een cyther of harp gezongen of gereciteerd en zo ten gehore gebracht in een religieuze bijeenkomst hetzij in de tempel hetzij in de synagoge. Een heel orkest kon bij bijzondere gelegenheden meewerken. Psalm 150 somt zeven verschillende instrumenten op: hoorn, harp, lier, tamboerijn, fluit, bekken en cymbalen. Jammer genoeg ontbreekt ons elke concrete aanwijzing van de gebruikte composities. Waarschijnlijk is daarvan toch iets behouden in oude synagogale melodiën en het Gregoriaans. In ieder geval is het aan deze vrome en schone vieringen te danken dat de teksten voor het nageslacht zijn behouden. Zie hierover Chaim Storosum in het deeltje over de Psalmen in de serie: Zoals er gezegd is over...
Het woord ‘psalm’ heeft voor velen geen prettige klank meer door de herinnering aan de trage galm van zingende vromen. Oorspronkelijk betekent het echter ‘tokkel-lied’, afgeleid van het Griekse ‘psalmos’, precies als het Hebreeuwse grondwoord ‘mizmoor’. Zo’n lied is begonnen bij een enkeling die zijn nood of zijn vreugde bij snarenspel onder woorden bracht. Vanwege de herkenning van motieven en emoties door tijd- of lotgenoten van de dichter zijn deze liederen tot lofzangen en gebeden van de gemeenschap geworden. In de bijbel komt deze benaming in de opschriften 57 keer voor. De Hebreeuwse verzamelnaam echter voor de Psalmen, inclusief de klaag- en smeekpsalmen, is ‘Tehilliem’=lofzangen, van het werkwoord ‘halal’= loven. De Griekse vertalers keken om zo te zeggen meer naar de technische kant van de uitvoering, de Joodse gemeenschap vooral naar de religieus-liturgische betekenis. Ook klagen tot God is een wijze van hem loven. Het dagelijks bidden van de Psalmen bij de Joden heet ‘Tilliem zeggen’.

De Psalmen als gedichten

Oud-hebreeuwse poëzie kent geen rijm. In de hele antieke wereld is dit onbekend. Trouwens, ook in veel moderne poëzie is het rijm geen hoofdkenmerk meer. Het poëtisch karakter van een bijbelse tekst is te vinden in het ritme, de korte en heftige manier van uitdrukken, de herhaling, de beeldenrijkdom, de ongewone stijl en daarmee de beklemtoning, de intonatie… en de muzikale begeleiding…
Het meest opvallende kenmerk is wel dat een Psalm is opgebouwd uit ‘verzen’ van minstens twee regels met dezelfde of soms ook tegengestelde strekking, het zogenaamde parallelisme. Samen drukken ze op een genuanceerde ‘aanvullende’ manier uit wat de dichter voelt, ziet, beangst of hoopt. Met telkens twee schreden beweegt het gedicht zich voorwaarts. Op belangrijke momenten in de beweging van het lied heeft een vers soms 3 of zelfs wel 4 regels. Zo’n onregelmatigheid valt op en is veelzeggend. Soms zijn deze versregels niet meer dan versdelen, door vers-delers in de Hebreeuwse tekst te onderscheiden.
Als het ware in gelijke tred daarmee is een Psalm als geheel en in gedeelten ook te zien als een numerieke compositie van het aantal verzen, een bepaald aantal versregels en het aantal woorden. In de regel hebben deze aantallen zelf al symbolische betekenis. Of zij verwijzen via de gematrie naar kernwoorden van het bijbels geloof. Deze geven een extra dimensie aan het gedicht.
<De gematrie is een taaltechniek, die gebruik maakt van het feit dat letters bij ontstentenis van aparte cijfertekens voor getallen, ook die getalsfunctie hadden, al naar gelang hun plaats in het alfabet. Zo heeft een Psalm heel dikwijls een midden met 2 in aantal woorden en/of regels gelijke delen voor en na dit midden. Die aantallen verwijzen naar een of twee woorden zoals bijvoorbeeld de naam JHWH (17 of 26), Echad (EEN of de ENE, 13), of ook naar een sleutelwoord van het gedicht. (zie mijn ‘Verkenningen...’ en ‘Symboliek van de getallen)>
Het alfabet met zijn 22 letters geeft aan negen Psalmen hun structuur. Het zijn de Psalmen 9+10, 25, 34, 37, 111, 112, 119 en 145. Daarvan zijn er vijf ‘van David’. Deze toepassing van het alfabet in de poëzie heeft te maken met de hoge waardering ervoor.
De numerieke structuur is als het ware het stramien waarop de kunstenaar zijn gedicht weeft.

Wording en Compositie van het Psalmboek

Na de ballingschap, in de loop van de vijfde eeuw voor Christus, hebben de tekstoverleveraars 150 Psalmen verzameld om voortaan gebeden of gezongen te worden in de eredienst. Zij brachten daarbij niet alleen bestaande kleinere verzamelbundels bijeen maar ook liederen of gebeden die soms oorspronkelijk deel uitmaakten van de oude verhalen.
Bij deze vaststelling van het aantal is ook een onderverdeling aangebracht in 5 boeken. Dit verwijst duidelijk naar de Tora, de 5 boeken van Mozes, de man Gods.
Alle 5 boeken zijn opgebouwd rond een of meer kleinere ‘verzamelbundels’.
Eén bestaande bundel wordt met name genoemd. En wel in Psalm 72:20, waar een merkwaardige uitspraak staat, namelijk: “Einde van de gebeden van David, de zoon van Isaï”. Deze versregel moet oorspronkelijk gediend hebben ter afsluiting van een eerder al bestaande verzameling gebeden op naam van David. Toch bevatten de boeken 1 en 2 niet alle Psalmen van David: er komen er nog 18 voor: 1 in boek 3, 2 in boek 4 en 15 in boek 5. De andere verzamelingen zijn: 12 Psalmen van Asaf (50+73 tot 83), 11 van de Korachieten (42, 44-49 en 84, 85, 87 en 88), het Hallel: Psalm 113-118 en de 15 pelgrimsliederen: Psalm 120-134. Ook staan de zogenaamde elohiem-psalmen 42-83, waarin de naam JHWH maar zelden voorkomt, als een zelfstandige verzameling bij elkaar.
Elk van de 5 boeken is opgebouwd rond een oude of nieuwe verzameling en wel als volgt.
De boeken 1 en 2 bevatten de ‘Gebeden van David’, aangevuld met enkele anonieme Psalmen, met als slot Psalm 72 ‘van Salomo’. Zij worden beschouwd als de oudste verzameling. Boek 2 telt bovendien nog 7 Psalmen van de Korachieten.
Boek 5, het laatste en het grootste boek, omvat wel vier verzamelingen: het Hallel, de pelgrimsliederen, 15 Psalmen van David en de Hallelujah-psalmen (111-114, 145-150). Hieraan is het grote liturgische belang van dit boek te zien. Het bevat vooral jongere Psalmen.
Boek 3 bevat op een na (Psalm 50) alle Psalmen van Asaf en de overige van Korach.
In boek 4 gaat de Psalm van Mozes voorop, waarna er 10 anonieme volgen. Deze worden in de joodse traditie ook aan Mozes toegeschreven! De meeste daarvan zijn troonbestijgingspsalmen van JHWH.
Het geheel is een wonderlijke eenheid van bewuste samenstelling en natuurlijke groei.
Tenslotte. De nummering in oude vertalingen verschilt nogal met de Hebreeuwse, met name wat betreft de Septuaginta. Het is op die Griekse bijbel dat de vroegere katholieke bijbelvertalingen terug gaan met als gevolg het verschil in nummering met de protestantse vertalingen die op de Hebreeuwse tekst zijn gebaseerd. Maar meestal staat het aantal van 150 vast. Waarschijnlijk vanwege de symbolische betekenis van 3 x 50, het getal van de grote vervulling, immers 7x7 plus 1 (zie mijn artikel over de getallensymboliek). Het drievoud benadrukt dit extra.
Alle Psalmen samen reikhalzen met groot verlangen naar de vervulling van de tijd in de komende messiaanse wereld.

 David en het Psalmboek

 Dat welgeteld 73 van de 150 Psalmen aan David worden toegeschreven, kan te maken hebben met het feit dat het de getalswaarde van het Hebreeuwse woord voor wijsheid ‘chokmah’ is (8+20+40+5). De woordstam ‘chakam’ komt 13x (de getakswaarde van EEN!) in de Psalmen voor. Deze gegevens sluiten op elkaar aan: David is de evenknie geworden van Mozes.
Dat laatste komt vooral tot uiting in de eredienst. Zijn de 5 boeken van “Mozes” de gestalte van Het Woord (van God), de Psalmen (van “David”) behelzen het Antwoord van de gemeenschap. In verband met de wekelijkse lezing op Sabbat van een vast gedeelte uit de Tora, welke gewoonte tijdens de Babylonische ballingschap is ontstaan, is ook een rooster gegroeid van de te bidden of te zingen Psalmen. Uit deze practijk is de toevoeging van een bijna gelijkluidende lofprijzing aan het eind van elk van de eerste 4 boeken goed te verstaan. Een voorbeeld van zo’n eredienst laat het verhaal van de plaatsing van de ark in het heiligdom te Jeruzalem in 1 Kronieken 15 en 16 zien. Daar beantwoordt het volk het gebed van David met een overeenkomstige lofprijzing (vers 36). Van boek 5 en tevens van het hele Psalmboek is Psalm 150 de doxologische afsluiting.
Dan nog de vraag: zou de verdeling van het aantal Psalmen per boek ook een numerieke achtergrond kunnen hebben? We willen daar nu naar kijken.

De numerieke compositie van het Psalmboek

Het eersteboek telt 41 Psalmen. Dit getal verwijst mogelijk naar ‘falal’, het Hebreeuwse woord voor bidden (getalswaarde 17+12+12). Voor Israëls gebedenboek is er geen beter numeriek begin! De woorden ‘bidden’, ‘gebed’ klinken regelmatig in de Psalmen. Vijf heten in het opschrift ‘Tefillah’=gebed, verspreid over de 5 boeken: Psalm 17, 86, 90, 102 en 142. Falal is een echt sleutelwoord.
Het tweede boek behelst de Psalmen 42 tot 72 en telt er dus 31, welk getal is te begrijpen als de som van JHWH (17) en David (14). Samen tellen de eerste twee boeken 72 Psalmen. Ook dit getal verwijst naar de Naam JHWH. Het is namelijk het driehoeksgetal van het tetragram JHWH. Zo’n getal ontstaat door de letters van het woord in de vorm van een driehoek als volgt onder elkaar te schrijven: J, JH, JHW, JHWH en dan hun getalswaarden op te tellen. (zie C J Labuschagne: Vertellen met getallen, uitgave Boekencentrum 1992)
Het derde en het vierde boek , respectievelijk de nummers 73 tot 89 en 90 tot 106, tellen beide 17 Psalmen: de kleine getalswaarde van JHWH.
Het vijfde boek heeft 44 Psalmen. Dit getal is op te vatten als 4x11. Het getal van de aarde maal het getal 11 van de vervulling. Ook is het mogelijk er 2x het aantal letters van het Hebreeuwse alfabet, namelijk 22, in te zien. Maar dit lijkt in dit verband van minder betekenis, al is een dubbel eresaluut aan het alfabet als slot van een groots poëtisch werk zeker zinvol.
Bij deze benadering is verondersteld dat de samenstellers van het Psalmboek zijn uitgegaan van de bundel “Gebeden van David”, aangevuld tot de 72 psalmen van de boeken 1 en 2. De overige 3 boeken tellen samen 78 Psalmen, waardoor het totaal op 150 uitkomt, het drievoudige van 50. En last not least: 78 is het tweevoud van 39, getalswaarde van ‘JHWH echad’ (26+13), de grondbelijdenis van Israël volgens Deuteronomium 6:5.

Betekenis van de numerieke compositie

1 Opvallend bij deze onderverdeling in vijven is de grote rol van het getal 17. Allereerst openlijk bij de boeken 3 en 4. Maar ook verborgen, in het aantal van 17+4 Psalmen van boek 2.
2 Ook is het opmerkelijk dat de naam David samen met het godsnaamsgetal 17 van JHWH de numerieke vormgeving van boek 2 medebepaalt. Dat refereert aan ‘de gebeden van David’ in het slotvers van dit deel.
3 Het driehoeksgetal 72 van de godsnaam JHWH overkoepelt de eerste twee boeken, waarbij het opvalt dat juist ook de elohiem-psalmen in het tweede boek daaronder vallen.
4 De Psalmen van David vormen het leeuwenaandeel van de eerste twee boeken en van het laatste boek. Met recht kan ook daarom gesproken worden van het ‘Psalter van David’.
De numerieke indeling en opbouw van de 150 Psalmen overziend kan men daar de volgende theologische gedachtenlijn in ontdekken:

Er is een gemeenschap van mensen die levend met de Tora (de 5 boeken), verzekerd mag zijn van de messiaanse vervulling (3x 50) en dat voor heel de aarde (4x het getal 11 van boek 5). Deze zekerheid is gegrond in het biddend (41, van boek 1) vertrouwen op JHWH (het getal 17 van de boeken 1, 2, 3 en 4, en 72 van de boeken 1 en 2 samen) de ENE (2x39 in de boeken 3+4+5).

Als slot moge, ter ere van David, dienen de boventallige Psalm (‘151’), uit de Septuaginta:

1 Klein was ik onder mijn broers
xxen een jongen in het huis van mijn vader
xxik hoedde mijn vaders schapen.
2 Mijn handen maakten een muziekinstrument
xxmijn vingers maakten een snaarinstrument.
3 En wie zal het melden aan mijn Heer?
xxHij is de Heer, Hij verhoort.
4 Hij zond zijn bode
xxen nam mij weg van mijn vaders schapen
xxen zalfde mij met zijn zalfolie.

5 Mijn broers waren knap en groot,
xxmaar in hen had de Heer geen welgevallen.
6 Ik trok op tegen de Filistijn,
xxdie mij vervloekte bij zijn afgoden.
7 Maar nadat ik het zwaard dat hij
xxdroeg, getrokken had,
xxonthoofde ik hem
xxen nam de smaad weg van de Israëlieten.

(uit Rien Tang in: Een boek om mee te leven, over de Septuaginta, Boekencentrum '79)

zomer 2005, M. J. v. d. Ende